familielid
Uiterlijk
- Geluid: familielid (hulp, bestand)
- IPA: / fa'mililɪt / (4 lettergrepen)
- fa·mi·lie·lid
- samenstelling van familie en lid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | familielid | familieleden |
| verkleinwoord | familielidje | familielidjes |
het familielid o
- persoon beschouwd in zijn verhouding tot degenen met wie hij een familie uitmaakt
- Het woord familielid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "familielid" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %