falloir
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| falloir /fa.lwaʁ/ |
fallais /fa.lɛ/ |
fallu /fa.ly/ |
| derde groep | volledig | |
- onpersoonlijk nodig zijn; noodzakelijk zijn
- onpersoonlijk moeten volgens de regels van de fatsoen of de moraal; behoren [3]; horen [2]
- [2] comme il faut
- Dit onpersoonlijk werkwoord heeft alleen vervoegingen in de derde persoon enkelvoud.