fake

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fake
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘namaak’ voor het eerst aangetroffen in 1965 [1]
  • van Engels fake [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord fake fakes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fake m

  1. bedrog, namaak, vervalsing
stellend
onverbogen fake
verbogen
partitief fakes

Bijvoeglijk naamwoord

fake

  1. onecht, niet gemeend, nagemaakt

Werkwoord

vervoeging van
faken

fake

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van faken
    • Ik fake. 
  2. gebiedende wijs van faken
    • Fake! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van faken
    • Fake je? 
  4. aanvoegende wijs van faken

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen