faciliteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·ci·li·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
faciliteren
faciliteerde
gefaciliteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

faciliteren overgankelijk [3]

  1. technische hulp, voorzieningen aanbieden, beschikbaar stellen, ondersteunen
    • Als ik de cynische benadering erop loslaat dan faciliteren de vrouwen uit criminele gezinnen de mannen, en profiteren ze er net zo goed van [4] 
  2. vereenvoudigen, mogelijk maken
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen