fabriek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Van Nelle fabriek
Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·briek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fabriek fabrieken
verkleinwoord fabriekje fabriekjes

Zelfstandig naamwoord

fabriek v

  1. (economie) plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
    • De arbeiders gingen iedere ochtend naar de fabriek om daar te werken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
fabrieken

fabriek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fabrieken
    • Ik fabriek. 
  2. gebiedende wijs van fabrieken
    • Fabriek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fabrieken
    • Fabriek je?