Naar inhoud springen

fabriek

Uit WikiWoordenboek
Van Nelle fabriek
  • fa·briek
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘industrieel bedrijf’ voor het eerst aangetroffen in 1764 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord fabriek fabrieken
verkleinwoord fabriekje fabriekjes

defabriekv

  1. (economie) plaats waar op industriële schaal productie bedreven wordt
    • De arbeiders gingen iedere ochtend naar de fabriek om daar te werken. 
     De ogen van de replicanten zijn in de fabriek geproduceerd, ontwikkeld, en in het eindproduct worden kunstmatige jeugdherinneringen geïmplanteerd.[3]
     Ze liep een tijdje dagdienst in een fabriek waar plastic bakken voor gemeen bijtende chemische stoffen werden gemaakt.[4]
vervoeging van
fabrieken

fabriek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fabrieken
    • Ik fabriek. 
  2. gebiedende wijs van fabrieken
    • Fabriek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fabrieken
    • Fabriek je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]