fabrica

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fa·bri·ca

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

fabrica

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) 'kerksieraden', sieraden van de synagoge

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
fabricar

fabrica

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van fabricar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van fabricar