expressie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·pres·sie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uitdrukking’ voor het eerst aangetroffen in 1680 [1]
  • Naamwoord van handeling van expresseren met het achtervoegsel -ie
  • afgeleid van het Franse expression of daarvoor van het Latijnse 'expressiō' (met het voorvoegsel ex- en met het achtervoegsel -io)
enkelvoud meervoud
naamwoord expressie expressies
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

expressie v

  1. uitdrukking van het gezicht
    • Maar vervolgens maakt Perceval een reeks discutabele keuzes, die het de toeschouwer verre van gemakkelijk maken. Zo is de hele voorstelling gekmakend schaars belicht. Oogopslag, expressie, mimiek van de spelers: onzichtbaar. Ze staan ook steevast met hun gezichten van ons afgewend, ongetwijfeld om hun raadselachtige, vaak tweeslachtige karakter te benadrukken. Soms dwingt dat even een hoge mate van concentratie en een soort verscherpte waarneming af, en dat is knap. [2] 
  2. (taalkunde) uitdrukking van de taal, gezegde
  3. gevoelsuitdrukking
    • Goslings personage is gemodelleerd naar Alain Delon in Le samouraï. Beiden zijn stoïcijnse professionals die zwijgend, onthecht en zonder enige expressie hun werk doen in het criminele circuit. [3] 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen