excuseer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ex·cu·seer

Werkwoord

vervoeging van
excuseren

excuseer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van excuseren
    Ik excuseer.
  2. gebiedende wijs van excuseren
    Excuseer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van excuseren
    Excuseer je?