evenzeer
Uiterlijk
- even·zeer
- samenstelling van even en zeer
evenzeer [1]
- in dezelfde mate
- ▸ Maar wacht eens even! Ik verloor mijn moment van de waarheid, maar was dat bij Nicolas niet net zo? Hij verloor evenzeer zijn moment van de waarheid.[2]
- ▸ " Ik herinner mij dat mijn vader mij optilde om het opschrift te lezen en dan vertelde hij me dat wij Pendorrics evenzeer een deel van het huis waren als die oude poort en dat geen Pendorric in zijn graf zou rusten als de tijd mocht komen dat de familie het huis zou verlaten.[3]
- Dat probleem heb je niet alleen in Nederland, maar het speelt evenzeer in België.
- De kinderen genieten, de ouders evenzeer.
- Het woord evenzeer staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "evenzeer" herkend door:
| 94 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑ Victoria Holt“De bruid van Pendorric” (1973), SAGA Egmont, ISBN 9788726955583
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be