eunuch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eu·nuch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ontmande (als vrouwenoppasser in harem)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1615 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord eunuch eunuchen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

eunuch m

  1. gecastreerde bewaker van een harem
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen