ethica

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ethi·ca
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ethica ethica's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ethica v

  1. de leer die gaat over het menselijk handelen betreffende goed en kwaad
  2. vrouw die de ethiek bestudeert
    • 'De zelfmoordenaar wil niet per se dood, hij wil vooral een ander leven', zegt Wieg. Maar moet je de zelfmoordenaar verplichten naar dat andere leven te blijven zoeken? Moet je hem steeds weer opnieuw dwingen het allerlaatste speldeknopje moed uit zijn tenen te halen, om steeds opnieuw te proberen het godsonmogelijke mogelijk te maken? En dan weer te falen? Of moet je zijn keuze respecteren de handdoek in de ring te gooien? Ik heb er twintig jaar over nagedacht. En kies voor het laatste. Anne Roelofsen is psychologe en ethica. [2] 
    • Predikanten moeten gelovigen adviseren toch hun kinderen te laten inenten. Die oproep doen oud-minister Els Borst (D66) en VVD-senator en medisch ethica Heleen Dupuis vrijdag in het AD. 'Vaccineren is niet tegen de wil van God', stellen ze. [3] 
    • 'Als prins Friso in een Nederlands ziekenhuis terecht was gekomen, dan was de behandeling waarschijnlijk gestopt omdat er zo weinig te verwachten valt.' Dat zei Eerste Kamerlid en ethica Heleen Dupuis (VVD) donderdagavond in het discussieprogramma Dichtbij Nederland op Radio 5. [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen