escaleerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • es·ca·leer·de

Werkwoord

vervoeging van
escaleren

escaleerde

  1. enkelvoud verleden tijd van escaleren
    • Ik escaleerde. 
    • Jij escaleerde. 
    • Hij, zij, het escaleerde.