ervaring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·va·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ervaring ervaringen
verkleinwoord ervarinkje ervarinkjes

Zelfstandig naamwoord

ervaring v

  1. een vorm van kennis; iets door ondervinding geleerd hebben
    • Ik heb heel veel ervaring met autorijden en ik kan het dus ook heel goed. 
     Het idee om een lange tijd alleen door te brengen trok mij enorm aan, maar vond ik tegelijkertijd doodeng omdat ik geen ervaring had met langdurig alleen zijn. Ik heb nooit alleen gewoond, ik ben altijd met anderen op pad en ik ga met mijn gezin op vakantie of met vrienden een weekendje weg.[1]
  2. kennis hebben van de gebruikelijke gang van zaken
    • Mijn ervaring met het beloop van deze ziekte is eigenlijk maar heel beperkt. 
  3. een reflectie uit observatie en betrokkenheid bij bepaalde processen of toestanden
    • Deze fout is een waardevolle ervaring geweest waarvan ik veel geleerd heb. 
     Ik vond het verbijsterend om te horen hoeveel indruk de trail destijds op deze man had gemaakt. Zou ik over 35 jaar ook nog zo gegrepen zijn door deze ervaring?[1]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • ervaring opdoen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

ervaring

  1. ervaring