eropaf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·op·af
Woordherkomst en -opbouw

Voornaamwoordelijk bijwoord

eropaf

  1. actief naar iets toegaan
    • Hij trok zijn stoute schoenen aan en ging eropaf. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.