ergotherapeut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • er·go·the·ra·peut
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ergotherapeut ergotherapeuten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ergotherapeut m

  1. (medisch) (beroep) beoefenaar van de ergotherapie

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be