ergehen
Uiterlijk
- er·ge·hen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ergehen |
erging |
ergangen |
| volledig | onscheidbaar | |
ergehen
- onovergankelijk, (juridisch), onpersoonlijk uitgaan ww [10], worden uitgevaardigd
- wederkerend sich uitweiden, zich te buiten gaan
- onpersoonlijk vergaan ww [2]