erfpacht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • erf·pacht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord erfpacht erfpachten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

erfpacht v / m

  1. (juridisch) pacht waarvan de duur niet aan het leven van de pachter verbonden is en die op diens erfgenamen overgaat
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen