episcopaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • epis·co·paat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bisschoppelijke waardigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van kerklatijnse episcopatus [2]
  • afgeleid van episcopus met het achtervoegsel -aat
enkelvoud meervoud
naamwoord episcopaat episcopaten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

episcopaat o [3]

  1. bisschoppelijke waardigheid
  2. de bisschoppen samen
  3. bisdom
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders
71 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen