enteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘een vijandig schip beklimmen’ voor het eerst aangetroffen in 1571 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
enteren
enterde
geënterd
zwak -d volledig

Werkwoord

enteren

  1. (scheepvaart) aan boord gaan en overnemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
enterar

enteren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van enterar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van enterar
vervoeging van
enterarse

enteren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van enterarse
  2. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van enterarse