entamer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| entamer |
entamais |
entamé |
| eerste groep | volledig | |
entamer
- aansnijden
- (spreektaal) open maken, eraan beginnen
- «J'ai tout de suite entamé ce paquet de biscuits.»
- Ik ben meteen aan pakje met koekjes begonnen. [1]
- «J'ai tout de suite entamé ce paquet de biscuits.»