ensemble

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[1] muziekgezelschap
Uitspraak
Woordafbreking
  • en·sem·ble
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Franse ensemble [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ensemble ensembles
verkleinwoord ensembletje ensembletjes

Zelfstandig naamwoord

ensemble o [2]

  1. toneelgezelschap of muziekgezelschap
    De Duitse actrice en zangeres Gisela May, vooral bekend als Brecht-vertolkster, is vrijdag overleden. Ze was 92 jaar. „Met haar sterft een van de grootste kunstenaressen van de ondergegane DDR”, zegt intendant Claus Peymann van het Berliner Ensemble, waaraan ze decennia lang was verbonden. [3]
  2. muziekstuk of deel daarvan, voor samenspel van verschillende instrumenten of stemmen
  3. aantal bij elkaar passende kledingstukken
  4. samenhangend geheel
    Simone Vermaat van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE): „Samen met de nieuwe omgevingswet maakt de erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Ook gebouwen jonger dan vijftig jaar kunnen sinds 2012 een monumentenstatus krijgen. Met deze nieuwe wet kan een interieur in samenhang met een rijksmonument worden aangewezen als ensemble.” [4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Gangbaarheid
96 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Henk van Gelder 2 december 2016
  4. NRC Sandra Smets 12 september 2016