Naar inhoud springen

enfiler

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
enfiler
enfilais
enfilé
eerste groep volledig

enfiler

  1. overgankelijk van een draad voorzien
  2. overgankelijk (kleding) door het oog (van de naald) halen
    1. overgankelijk (ook) door het oog (van bijv. een ring) halen
  3. overgankelijk (muziekinstrument) bespannen
  4. overgankelijk(sieraden) inrijgen, rijgen
  5. (militair) de gevechtspositie van een rij van telkens twee bij twee man innemen
  6. (figuurlijk) (verhalen) aaneenrijgen, onophoudelijk vertellen
  7. overgankelijk snel (kleren) aantrekken
  8. overgankelijk (spreektaal) naaien
    «Cette meuf, elle se fait enfiler tous les soirs par son boss.»
    Die meid laat zich iedere avond pakken door haar baas.

s’enfiler

  1. (spreektaal) opzuipen
    «On s'est enfilé une bouteille de whisky en une heure.»
    We hebben in één uur een fles whisky soldaat gemaakt. [1]
  2. (spreektaal) voor zijn kiezen krijgen
    «Grégoire s'est enfilé un sacré boulot.»
    Grégoire kreeg een verdomd lastige klus op zijn bord. [1]
  3. wederkerend (spreektaal) elkaar naaien