Naar inhoud springen

enden

Uit WikiWoordenboek
  • en·den
  • end met uitgang -en

deendenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord end

enden

  1. meervoud van ende
  • en·den
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
enden
endete
geendet
zwak volledig onscheidbaar

enden

  1. onovergankelijk eindigen, een einde nemen, ophouden [1],  stoppen ww  [4,5]
  2. onovergankelijk, (eufemisme) overlijden, sterven


enden

  1. meervoud van ende