encycliek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·cy·cliek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘pauselijke zendbrief’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord encycliek encyclieken
verkleinwoord encycliekje encycliekjes

Zelfstandig naamwoord

encycliek v

  1. een brief van de paus aan alle katholieke gelovigen
Vertalingen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen