enclise

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·cli·se
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aansluiting van woord bij ander woord’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord enclise enclises
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

enclise v [3]

  1. (taalkunde) het verschijnsel dat een - meestal onbeklemtoond - woord wordt uitgesproken als vormde het een deel van het woord dat ervoor komt
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
23 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen