empirer
Uiterlijk
- via Oudfrans empirier, ampairer geërfd van Laatlatijn *impejorare (van pejorare "verslechteren", een afleiding van Latijn peior "slechter", met een versterkend voorvoegsel in-), vervormd naar voorbeeld van pire "slechter" (erfwoord van Latijn peior "slechter") [1]
- van pire "slechter" met het voorvoegsel en- en met het achtervoegsel -er
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| empirer |
empirais |
empiré |
| eerste groep | volledig | |
empirer
- overgankelijk verslechteren [2]; slechter maken
- onovergankelijk verslechteren [1]; slechter worden
- wederkerend verslechteren [1]; slechter worden
- ↑ empirer (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 7
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Voorvoegsel en- in het Frans
- Achtervoegsel -er in het Frans
- Werkwoord in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Onovergankelijk werkwoord in het Frans
- Wederkerend werkwoord in het Frans