emigreren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

cursus Engels voor emigranten
Uitspraak
Woordafbreking
  • emi·gre·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uitwijken naar ander land’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • afgeleid van het Franse émigrer (met het achtervoegsel -eren)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
emigreren
emigreerde
geëmigreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

emigreren [2]

  1. ergatief naar het buitenland verhuizen
    • In de jaren vijftig zijn er veel Nederlanders naar Engelstalige landen geëmigreerd. 
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen