embrouiller
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| embrouiller |
embrouillais |
embrouillé |
| eerste groep | volledig | |
embrouiller
- (spreektaal) van de wijs brengen, bedotten, bedriegen
- «Le vendeur, il voulait m’embrouiller avec ses dix-huit paiements sans frais.»
- De verkoper wilde me van de wijs brengen met zijn achttien afbetalingen zonder kosten. [1]
- «Le vendeur, il voulait m’embrouiller avec ses dix-huit paiements sans frais.»
- (spreektaal) ruzie zoeken
- «Marcel, faut toujours qu’il embrouille les gens quand on sort en boîte.»
- Marcel zoekt altijd ruzie als we naar de disco gaan.
- «Marcel, faut toujours qu’il embrouille les gens quand on sort en boîte.»
s’embrouiller
- wederkerend (spreektaal) ruzie maken
- «J’me suis embrouillé avec le videur parce qu’il ne voulait pas me laisser entrer.»
- Ik heb ruzie gemaakt met de uitsmijter omdat-ie me niet binnen wilde laten. [1]
- «J’me suis embrouillé avec le videur parce qu’il ne voulait pas me laisser entrer.»