Naar inhoud springen

embrouiller

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
embrouiller
embrouillais
embrouillé
eerste groep volledig

embrouiller

  1. (spreektaal) van de wijs brengen, bedotten, bedriegen
    «Le vendeur, il voulait m’embrouiller avec ses dix-huit paiements sans frais.»
    De verkoper wilde me van de wijs brengen met zijn achttien afbetalingen zonder kosten. [1]
  2. (spreektaal) ruzie zoeken
    «Marcel, faut toujours qu’il embrouille les gens quand on sort en boîte.»
    Marcel zoekt altijd ruzie als we naar de disco gaan.

s’embrouiller

  1. wederkerend (spreektaal) ruzie maken
    «J’me suis embrouillé avec le videur parce qu’il ne voulait pas me laisser entrer.»
    Ik heb ruzie gemaakt met de uitsmijter omdat-ie me niet binnen wilde laten. [1]