elfendertigst

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • elf·en·der·tigst
Woordherkomst en -opbouw
  • samenstelling van  elf ht  en  dertigste rt  met het invoegsel -en- , naar de elf-en-dertig, onder wevers de aanduiding van een kam die voor het weven van extra fijn en breed linnen elf extra gangen boven de dertig gebruikelijke had; het begrip wees eerst op netjes werken, later verschoof de betekenis meer naar traag werken en werd het als een telwoord opgevat [1] [2]

Rangtelwoord

elfendertigst

  1. (informeel) in vaste verbindingen als "op z'n elfendertigst": op een omslachtige of tijdrovende manier
Opmerkingen
  • Vroeger moesten de Friese afgevaardigden in de Staten-Generaal ruggespraak moesten houden met elf steden en dertig grietenijen, wat omslachtig en tijdrovend kon zijn. Dit leidde tot de veronderstelling dat "elfendertigst" daarnaar verwees, maar dit woord bestond al voor die tijd.
  • Afhankelijk van de context kan het bezittelijk voornaamwoord variëren:
        • Ans ging op haar elfendertigst koffie zetten. 
        • Als ze niet met ons overleggen, gaan we hun besluit op ons elfendertigst uitvoeren. 
Verwante begrippen

Verwijzingen