elektrocuteert

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • elek·tro·cu·teert

Werkwoord

vervoeging van
elektrocuteren

elektrocuteert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van elektrocuteren
    • Jij elektrocuteert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van elektrocuteren
    • Hij elektrocuteert. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van elektrocuteren
    • Elektrocuteert!