ejaculeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eja·cu·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ejaculeren
ejaculeerde
geëjaculeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

ejaculeren

  1. inergatief sperma uitwerpen
    • In de beroemde eindscene wordt geëjaculeerd op het aangezicht van de hoofdrolspeelster. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be