eikenstam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

eikenstam spiegelt in het water
Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·ken·stam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eikenstam eikenstammen
verkleinwoord eikenstammetje eikenstammetjes

Zelfstandig naamwoord

eikenstam m [1]

  1. (plantkunde) (bosbouw) een rechtop gaande houten schacht van een eikenboom
    • Op open plekken doen vluchten rood-zwarte atalanta's (schoenmakervlinders) zich tegoed aan neergevallen lijsterbessen. Achterin het bos ontdek ik enige biefstukzwammen in een eikenstam; een lichtgele hoed met erboven een lelijke bobbel is waarschijnlijk een jong exemplaar. Ondanks zijn veelbelovende naam, levert de biefstukzwam slechts een `matig gewaardeerd hapje' op, volgens mijn paddestoelengids. [2] 
    • In januari 2006 kon hij op de jaarlijkse rondhoutveiling in Arnhem een eikenstam van een meter of vijftien kopen, niet helemaal de gewenste dikte, niet helemaal noestvrij. Maar wel afkomstig van het landgoed Windesheim, ten zuiden van Zwolle („denk aan het IJsseldal”). [3] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Gerrit Jan Zwier 2 oktober 2000 Seizoen voor zwammen
  3. NRC Koos van Zomeren 29 juni 2007 Het Romeinse eikenmysterie