eentonigheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·to·nig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eentonigheid eentonigheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

eentonigheid v [1]

  1. het zonder enig variatie of spanning zijn
     ... zodra de eentonigheid van het in het gelid naast mama, papa en Ulrikke liggen me op de zenuwen begon te werken, maakte ik lange wandelingen door de straten of langs het strand.[2]
     In al deze maanden bleek dat de mannen creatiever werden. "Eén ding dat we niet voorzien hadden, maar wat zij wel deden om te breken met de eentonigheid, was creativiteit", aldus Jennifer Ngo-Anh, manager van het project. Zo hadden de mannen zich met Halloween verkleed met wetenschappelijk materiaal, met Kerstmis een eigen kerststalletje gemaakt en vierden ze het Chinees Nieuwjaar met allerlei Chinese folklore.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Johan Harstad (vert. Edith Koenders en Paula Stevens) “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium op Wikipedia, ISBN 9789057598500
  3. Bronlink geraadpleegd op 9 februari 2022 Weblink bron “'Astronauten' teruggekeerd van nep-Mars” (04-11-2011), NOS