economiseren
Uiterlijk
- eco·no·mi·se·ren
- afgeleid van het Franse economiser (met het voorvoegsel eco-) met het achtervoegsel -iseren)
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| economiseren |
economiseerde |
geëconomiseerd |
| zwak -d | volledig | |
economiseren
- uitsparen, bezuinigen
- We moeten economiseren.
- Het woord economiseren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 12
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Voorvoegsel eco- in het Nederlands
- Achtervoegsel -iseren in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal