echtbreker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • echt·bre·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord echtbreker echtbrekers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

echtbreker m [3]

  1. iemand die een seksuele relatie aangaat met iemand anders dan de huwelijkspartner; overspel pleger
    • De rijke man had succes in dit leven, de armen mochten hebben wat hij morste. Hij was geen moordenaar, echtbreker of dief, maar zijn materiële succes en positieve ervaringen op aarde hielden hem uit de hemel. [4] 
    • Als straf voor haar overspel wordt de jonge vrouw in de gevangenis gegooid. Het waren andere tijden. Wanneer ze vrijkomt moet ze drie uur lang voor een toegesnelde menigte op een schavot staan, mét de buitenechtelijke baby in haar armen. Op haar jurk prijkt een scharlaken letter A, van adulterer (echtbreker). Emma Stone speelde in Easy A de rol van Olive, de eenentwintigste-eeuwse Hester. [5] 
    • 'Veel van onze leden, zowel man als vrouw, pissen al jaren buiten de pot zonder gesnapt te worden," aldus Emily Pope, woordvoerder van een datingsite voor getrouwden. "Eerdere onderzoeken toonden al aan dat vrouwen betere leugenaars zijn dan mannen, dus het is niet zo verrassend dat vrouwelijke echtbrekers er ook beter mee wegkomen." [6] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen