dyslectisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dys·lec·tisch
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Griekse 'lexis' (het spreken) met het voorvoegsel dys-
  • afgeleid van dyslexie met het achtervoegsel -isch
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dyslectisch dyslectischer
verbogen dyslectische dyslectischere
partitief dyslectisch dyslectischers -

Bijvoeglijk naamwoord

dyslectisch

  1. woordblind

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be