dweilorkest

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

dweilorkest
Uitspraak
Woordafbreking
  • dweil·or·kest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dweilorkest dweilorkesten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dweilorkest o

  1. informele carnavaleske blaaskapel bestaande uit blazers en slagwerkers
    • In tegenstelling tot topspelers als Boode is het gros van zijn teamgenoten gewoon amateur. De vorige voorzitter Rob Meijer heeft overwogen om spelers te betalen, maar zover is het nooit gekomen. „Daarvoor hebben we de middelen niet”, stelt diens opvolger Hans Oudshoorn. „Vergeet niet: het is ook maar korfbal, hè.” Hoewel de sport wel wat extra glans kan gebruiken, zou Oudshoorn deze avond niet bescheiden hoeven zijn. Neem alleen al de hoge spelintensiteit in de finale. Continu zijn de korfballers in beweging. En zie de bijna achtduizend fans op de tribunes. Gekleed in hun clubkleuren en vocaal bijgestaan door dweilorkesten maken zij er een happening van in de Rotterdamse hal.[1] 
    • Bondscoach Fred Grim kon zijn ergernis nauwelijks onderdrukken toen hem naar zijn mening werd gevraagd over het dweilorkest, dat tijdens de wedstrijd van Jong Oranje wanhopig zijn best deed om de sfeer er in te houden. Kedeng kedeng klonk het en meer van dat soort meezingers, terwijl het elftal roemloos met 3-1 ten onder ging tegen de leeftijdsgenoten uit Slowakije.[2]  
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. NRC Fabian van der Poll 7 april 2014
  2. Volkskrant Iwan Tol 11 oktober 2015