dwazerik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dwa·ze·rik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dwazerik dwazeriken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dwazerik m [1]

  1. iemand die dwaas is
    • ‘Misschien ben ik een naïeve dwazerik, maar ik denk dat we er tegen de volgende verkiezingen in zullen slagen om de kiezers goed uit te leggen wat we allemaal hebben gedaan om de vluchtelingencrisis aan te pakken, om de veiligheid te verhogen, om de sociaal-economische problemen op te lossen enzovoort.’ [2] 
    • En toch desondanks dat alles had hij nog de moed en vond hij de nog de kracht om mij en zijn partij ter hulp te schieten. En ik, ik dwazerik die al bijna dertig jaar met hem optrok, hem dertig jaar geleden vergezeld had naar de hoofdstad, besefte pas op dat ogenblik, toen ik op mijn beurt het spreekgestoelte beklom en het woord nam, tot welke opoffering, tot welke overgave die man in staat was. Ik stokte gewoon. [3] 
  2. zorgeloos persoon
Synoniemen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen