dwaal af

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dwaal af
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
afdwalen

dwaal af

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afdwalen
    • Ik dwaal af. 
  2. gebiedende wijs van afdwalen
    • Dwaal af! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afdwalen
    • Dwaal je af? 


Gangbaarheid