dutte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dut·te

Werkwoord

vervoeging van
dutten

dutte

  1. enkelvoud verleden tijd van dutten
    • Ik dutte. 
    • Jij dutte. 
    • Hij, zij, het dutte. 
  2. aanvoegende wijs van dutten