dutje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Soldaten doen een dutje
Uitspraak
Woordafbreking
  • dut·je
enkelvoud meervoud
naamwoord
verkleinwoord dutje dutjes

Zelfstandig naamwoord

dutje o dim. tant.

  1. een korte periode van slaap
    • De oudjes deden een dutje. 

Zelfstandig naamwoord

dutje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord dut

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.