duplex

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·plex
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duplex duplexen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

duplex m [2]

  1. (bouwkunde) een woning, hetzij een eengezinswoning of een woning in een meergezinshuis, die tijdelijk gesplitst is in twee deelwoningen
  2. (bouwkunde) maisonnette
  3. voor twee personen
     Ik koos uiteindelijk voor de Duplex van Zpacks, een ruime tweepersoons enkelwandige, cuben fiber tent van nog geen 700 gram.[3]
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen duplex
verbogen (alleen
predicaat)

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

duplex

  1. uit twee eenheden bestaand, in twee richtingen werkend
Synoniemen
Opmerkingen
  • In plaats van attributief gebruik zijn samenstellingen met "duplex" als eerste deel gangbaar.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. duplex op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Zelfstandig naamwoord

duplex m

  1. (bouwkunde) maisonnette v; een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen.