duplex

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·plex
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duplex duplexen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

duplex m [2]

  1. (bouwkunde) een woning, hetzij een eengezinswoning of een woning in een meergezinshuis, die tijdelijk gesplitst is in twee deelwoningen
  2. (bouwkunde) maisonnette
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen duplex
verbogen (alleen
predicaat)

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

duplex

  1. uit twee eenheden bestaand, in twee richtingen werkend
Synoniemen
Opmerkingen
  • In plaats van attributief gebruik zijn samenstellingen met "duplex" als eerste deel gangbaar.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Zelfstandig naamwoord

duplex m

  1. (bouwkunde) maisonnette v; een etagewoning met eigen toegang waarbij woon- en slaapverdieping boven elkaar liggen.