duopolie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duo·po·lie
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
enkelvoud meervoud
naamwoord duopolie duopolies
duopoliën
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

duopolie o

  1. (economie) marktsituatie waarbij er slechts twee aanbieders zijn
     Volgens directeur Bart Combée van de Consumentenbond was Vodafone er in een eerder stadium zelf voorvechter van dat een derde partij nodig is voor voldoende keuzevrijheid voor consumenten. Nu zou slechts een "duopolie" overblijven op de Nederlandse markt.[1]
     Het succes van de all-in-one pakketten is één van de redenen dat de toezichthouder strenger toezicht wil kunnen houden op zowel KPN als VodafoneZiggo. Volgens de ACM dreigt een duopolie, een dubbel monopolie, op de Nederlandse telecommarkt.[2]
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

42 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “'Fusie Ziggo en Vodafone slecht voor markt'” (07-07-2016), Tubantia
  2. Bronlink Weblink bron David Bremmer “Voor het eerst verstoken we 100 miljard MB in een kwartaal met de smartphone” (25-05-2018), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be