duoblok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

duoblok
Uitspraak
Woordafbreking
  • duo·blok
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van blok met het voorvoegsel duo-
enkelvoud meervoud
naamwoord duoblok duoblokken
verkleinwoord duoblokje duoblokjes

Zelfstandig naamwoord

duoblok o

  1. (bouwkunde) watercloset met daaraan vastgekoppeld waterreservoir

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be