duizeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de Duizeling
de Duizeling
Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·ze·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duizeling duizelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

duizeling v [1]

  1. (medisch) aanval van lichte duizeligheid
    • Stemmen, het is een hachelijke zaak. Niemand die kan uitleggen hoe het moet. Het komt voor dat je min of meer kunt onderbouwen waarom je dit of dat hebt gestemd, sommige mensen doen dat heel overtuigend, maar voor vele anderen is het toch meer zwevend het stemhokje ingaan en in een soort mystieke duizeling tot een beslissing komen. „Stemmen is absoluut op de eerste plaats een kwestie van gevoel”, zegt politicoloog en psycholoog Martin Rosema van de Universiteit Twente, die in 2004 promoveerde op de psychologie van het stemmen. „Net als de keuze voor een omroep, voor een boek. Gevoel is bij iedereen de basis.”[2] 
    • Onlangs werd ik bevangen door wat, geloof ik, een 'historische duizeling' heet. In een necrologie van de vorige maand overleden Amerikaanse filosoof Hilary Putnam las ik dat Putnam in zijn jonge jaren heeft samengewerkt met Albert Einstein. In mijn eigen jonge jaren heb ik Putnam geïnterviewd voor Filosofie Magazine. Bij die gelegenheid schudde ik Putnam de hand, en Putnam heeft ongetwijfeld de hand geschud van Einstein. Dus ooit was ik, meisje uit de polder, slechts één handdruk verwijderd van de grote, mythische Einstein! [3]  
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joke Mat 11 maart 2017
  3. Volkskrant Marjan Slob 7 april 2016