duivels

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·vels
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van duivel met het achtervoegsel -s

Tussenwerpsel

duivels

  1. een uitroep van verbazing
    • Duivels zeg! 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen duivels duivelser duivelst
verbogen duivelse duivelsere duivelste
partitief duivels duivelsers -

Bijvoeglijk naamwoord

duivels

  1. als een duivel
    • Dat was echt een duivels plan. 
  2. vervloekt.
    • Die duivelse jongen heeft weer iets uit mijn tuin gestolen! 
  3. boos, ongeduldig
    • Je wordt er duivels van. 

Bijwoord

duivels

  1. In hoge mate
    • Ik was toen echt even duivels kwaad. 
    • Dat was duivels moeilijk om te doen. 

Zelfstandig naamwoord

duivels mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord duivel

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.