duikelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·ke·laar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duikelaar duikelaars
verkleinwoord duikelaartje duikelaartjes

Zelfstandig naamwoord

duikelaar m

  1. speeltuigje met een verzwaarde voet dat omvergeworpen zichzelf weer in rechte stand terugbrengt
    • Z'n dochtertje zat met een duikelaartje te spelen. 
  2. (vogels) vogel van de moerassen van de beide Amerika's, waaronder Suriname, die vaak alleen met zijn lange hals boven water zwemt Anhinga anhinga op Wikispecies
  3. (sport) speler van een balspel zoals voetbal die de neiging heeft zich opzichtig te laten vallen om een vrije trap uit te lokken
  4. slome ~ een niet al te snugger persoon
    • Die slome duikelaar hoef je dat echt niet te vragen. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Verwijzingen