duifachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • duif·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen duifachtig duifachtiger duifachtigst
verbogen duifachtige duifachtigere duifachtigste
partitief duifachtigs duifachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

duifachtig

  1. lijkend of of eigenschappen hebbend van een duif
    • De aardige man probeerde al die ruziezoekende havikachtige personen tot rust te brengen maar zijn duifachtig karakter had weinig effect. 

Gangbaarheid