druppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Druppend water


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drup·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
druppen
drupte
gedrupt
zwak -t volledig

Werkwoord

druppen

  1. ergatief druipen, druppelen
    • Het water drupte van het dak af. 

Zelfstandig naamwoord

druppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord drup

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be