druivelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
druivelaar
De Druivelaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drui·ve·laar
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van druif met het achtervoegsel -laar met het invoegsel -e-
enkelvoud meervoud
naamwoord druivelaar druivelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

druivelaar m [1]

  1. (plantkunde) klimplant die de druif als vrucht voortbrengt
  2. "De Druivelaar", populaire Vlaamse scheurkalender sinds 1915 met dagelijks de heilige van de dag, de efemeriden, een mopje of een andere wetenswaardigheid
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen